door Henk Puvée
| Moordrecht heet Moort voor de eigen inwoners en de wijde omgeving. En in dit Moort verbleef jarenlang een moordenaar die daar niet mocht wonen omdat hij voor een tijdsduur van maar liefst honderd jaar was verbannen uit de gewesten Holland, Zeeland en Utrecht, op straffe van onthoofd te worden met den swaarde. Hij bleef, zo bleek achteraf, toch jarenlang illegaal in Moordrecht en omgeving rondhangen. De belangrijkste reden zal zijn geweest dat er in het dorp waar hij de moord had gepleegd, Gouderak, nog zijn vrouw en kinderen woonden. Zo kon hij die af en toe zien door stiekem een retourtje te nemen over de IJssel. Sterker nog: hij kon daarbij zelfs nog voor gezinsuitbreiding zorgen. Het werd alleen wat lastig om die nieuwgeborene in Gouderak in het doopboek te laten bijschrijven. Maar de Moordrechtse dominee wilde wel een oogje dichtknijpen, al liet hij om tactische redenen de achternamen van de vader en de moeder weg bij de inschrijving van de dopeling in het Moortse doopboek. |
| De man die een moord had gepleegd heette Kees Mul. De aanleiding was een café ruzie geweest, ontstaan in de herberg Het Princehof van herbergier Arijen den Baers, bij de Gouderakse veerstoep, op dinsdagavond 26 februari 1721. Of eigenlijk was het al woensdag de 27e, want toen de ruzie begon was het al ver na middernacht. Er was die avond gedobbeld, er was veel wijn gedronken en er was uiteindelijk geruzied over wie precies wat moest betalen. Het ging over maar liefst zeven stuivers meer of minder voor de ene of voor de andere. En stuivers gaf men in die jaren aanmerkelijk minder makkelijk uit dan euros nu. |
| Ze waren die avond met hun vijven geweest: vader Willem de Jongh en zijn zoon Jan die allebei schoolmeester waren, Cornelis van Schie die molenaar was op de Gouderakse korenmolen, Jan Zuijdbroeck die op een steenplaats werkte, en Cornelis ofwel Kees Mul die getrouwd was met Zuijdbroecks zuster en die dus diens zwager was. |
| Toen het op afrekenen aankwam ontstond er ruzie tussen Jan Zuijdbroeck en Cornelis van Schie. Schoolmeester De Jongh junior probeerde de boel nog te sussen, maar molenaar Van Schie wilde daar niet van weten. Hij schold Zuijdbroeck uit voor Vuijlneus en vroeg hem mee naar buiten te komen. Maar meteen bij de buitendeur gaf hij Jan Zuijdbroeck een haal met een mes over zijn gezicht. Zuijdbroeck vluchtte bloedend het café weer in, terwijl molenaar Van Schie richting zijn molen verdween. Toen hij daar aankwam zakte hij echter in elkaar. Zijn dochter Caatje constateerde dat hij een steekwond in de borst had. Ze wilde de chirurgijn erbij halen, maar die was net bezig in de herberg naar de verwonding van Jan Zuijdbroeck te kijken. Die had een snijwond van boven de wijnbrauw langhs de rechterkoon tot sijn onderste lip maar gelukkig was dat een snede die niet door gongh. De chirurgijn verbond de wond met doeken die Kees Mul intussen bij het woonhuis van Zuijdbroeck was gaan halen. Daarna vertrok de chirurgijn naar de woning van de andere gewonde, molenaar Van Schie. Daar moest hij vaststellen dat de steekwond heel diep was en dat het niet goed ging met Cornelis van Schie. Die overleed inderdaad enkele uren later. De grote vraag: wie had de molenaar die dodelijke steekwond toegebracht? |
| De schout van Gouda, die ook schout van Gouderak was, kwam er bij en begon alle betrokkenen te verhoren. Hij zette als eerste de meest waarschijnlijke dader Jan Zuijdbroeck gevangen in de Goudse Tiendewegspoort, ook al ontkende deze in alle toonaarden Van Schie teruggestoken te hebben. Daarna ging de schout als een echte detective te werk. Hij volgde de weg die Van Schie afgelegd moest hebben van de herberg naar zijn huis. Na vijfhonderd passen zag hij ineens bloed liggen op het zandpad. Hier moest Van Schie dus gestoken zijn, want vanaf dit punt liep een spoor van bloeddruppels naar de molen. Bij het verhoor van dochter Caatje kwam al gauw een naam op tafel: Kees Mul. Die had haar vader haar genoemd als zijnde de dader. En ook beide schoolmeesters De Jongh verklaarden dat Kees Mul zijn zwager Zuijdbroeck had willen wreken. Bij zijn terugkeer in de herberg met de stelpende doeken uit het huis van Zuijdbroeck had hij hun verteld dat hij ook nog even Van Schie achterna was gegaan en hem te pakken had genomen. |
| Kees Mul had ook verder enige verdenking op zich geladen omdat hij de hele ochtend nerveus heen en weer had gelopen over de dijk in de buurt van de molen. Hij had aan voorbijgangers gevraagd of ze iets wisten van de toestand van de molenaar. Toen bekend werd in het dorp dat de molenaar was overleden bleek Kees Mul ineens verdwenen. |
| Op 18 maart 1721 begon in het rechthuis van Gouderak de rechtszitting tegen verdachte Mul. Zeven Gouderakse mansmannen moesten oordelen over een moordenaar die echter spoorloos was verdwenen. Kees Mul werd daarom bij verstek veroordeeld tot een verbanning voor de tijd van honderd aaneengesloten jaren en onthoofding met het zwaard als hij toch in de gewesten Holland, Zeeland of Utrecht aangetroffen zou worden. |
| Negentien jaar later bleek dat Kees Mul toch bewust al die jaren dat risico van onthoofding had genomen. Een aantal inwoners van Gouderak verklaarde toen op verzoek van justitie dat Kees Mul regelmatig in Gouderak was opgedoken, zij het stiekem (bedektelijk) en dat zij wisten dat hij zijn brood had verdiend in de nieuwe Droogmakerijen onder Zevenhuijsen. Tegenover de Gouderakse mansmannen voegden die zeven getuigen daar later nog aan toe dat zij wisten dat Kees Mul jarenlang aan Schielands Hoge Zeedijk had gewoond, tussen Moordrecht en Gouda, als inwonende bij ene Gerritje Leenmans. Zij legden deze verklaring af naar aanleiding van het feit dat Kees Mul inmiddels gearresteerd was en gevangen gezet in de Tiendewegspoort. Bij het verhoor ontkende hij echter dat hij de dood van Van Schie op zijn geweten had. |
| Omdat er indertijd geen getuigen van de moord waren geweest kon de schout zijn aanklacht niet hard maken. Om Mul alsnog te kunnen veroordelen zou een bekentenis nodig zijn, maar Kees Mul bleef bij elk verhoor door de schout, hoe hard die hem ook aanpakte, ontkennen. Dan moest de pijnbank er maar aan te pas komen. Er werd een scherprechter uit Haarlem ingehuurd die Kees Mul in de Tiendewegspoort aan allerlei folteringen onderwierp. Maar Mul gaf geen krimp. |
| Zelfs onder de ergste pijnigingen bleef hij ontkennen de moordenaar van molenaar Cornelis van Schie te zijn geweest. De schout eiste desondanks de doodstraf. De schepenen van Gouda die over het geval moesten oordelen vonden dat echter te ver gaan en legden Kees Mul een straf op van 35 jaar tuchthuis. Dat stond, gezien zijn leeftijd (50), toch inmiddels gelijk aan levenslang.
Daarna is niets meer bekend van Gouderakker Kees Mul die Moordrechtenaar werd en daardoor elke dag de doodstraf riskeerde. En die nog tot 35 jaar tuchthuis werd veroordeeld voor een moord die negentien jaar tevoren was gepleegd en die dus in onze tijd verjaard zou zijn geweest. |